Header

Beleid in uitvoering

‘We zijn beiden gegroeid in onze rolvastheid’

PFAS is de verzamelnaam voor duizenden door de mens gemaakte, water-, vet- en vuilafstotende chemicaliën. Onder andere IenW en het RIVM ­brengen samen de gevolgen en mogelijke aanpak van PFAS in kaart. Martin van Gelderen (afdelingshoofd Stoffen en Waterketen bij IenW) en Erik Tielemans (hoofd Centrum Veiligheid van Stoffen en Producten bij het RIVM) vertellen over hun krachtenbundeling.

Welke rol speelt het PFAS-dossier in jullie werk?

Martin: ‘Het komt vaak terug – in de ­politiek, maar ook in onze gesprekken met bijvoorbeeld belangenorganisaties en medeoverheden. Burgers maken zich zorgen en het lokaal bevoegd gezag heeft als vergunningverlener, handhaver en voorlichter behoefte aan handelingsperspectief. Zoekend naar houvast kijken al deze partijen rechtstreeks naar het RIVM en IenW.’

Erik: ‘Daarom is er nu bijvoorbeeld een methodiek voor de beoordeling van bloot­stelling aan PFAS-mengsels. Beleidsmakers en bestuurders willen namelijk een eenduidige werkwijze, zonder risico-onderschatting. Er is nu ook een PFAS-toetswaarde voor zwem­waterkwaliteit, zodat beheerders deze zelf kunnen beoordelen. PFAS is niet nieuw, maar er ontbreekt nog veel kennis. Er wordt binnen en buiten Nederland dan ook nog veel onder­zoek naar gedaan. Het RIVM tapt uit bestaande literatuur en (internationale) kennis­netwerken om alle stakeholders verder te kunnen helpen. Daarnaast hebben we eigen onderzoeksprogramma’s voor structurele kennisontwikkeling.’

Martin van Gelderen, afdelingshoofd Stoffen en Waterketen bij IenW




‘De Tweede Kamer wil vaak snel een concreet antwoord, maar onderzoek duurt nu eenmaal wat langer’

Hoe ziet jullie samenwerking eruit?

Martin: ‘Nieuwe rapporten, een lawine aan vragen: er komt veel op ons af. En het opdrachtgeverschap richting het RIVM ligt voor een deel ook bij LVVN en VWS. Daarom besloten we als management nog nauwer te gaan samenwerken. Elke 2 à 3 maanden laten we in een uitgebreid overleg alle ontwikkelingen de revue passeren. Veel vraagstukken gaan over planning en verwachtingsmanagement. De Tweede Kamer wil vaak snel een concreet antwoord, maar onderzoek duurt nu eenmaal wat langer. Ook omdat het hier gaat om zesduizend soorten PFAS. Goede onderlinge communicatie is dan belangrijk. Wat kunnen we wel en niet beloven? En waar kunnen we elkaar helpen?’

Erik: ‘Onze organisaties overleggen ook regelmatig over de voortgang van onderzoeken. Daarin kondigen wij ook onze publicaties aan, zodat de ministeries niet verrast worden door wat wij naar buiten brengen. Die afstemming vindt plaats op managementniveau, en tussen RIVM- en IenW-collega’s. Door die routine groeit het onderlinge vertrouwen en weten we elkaar steeds beter te vinden.’

Wat is de meerwaarde hiervan?

Martin: ‘Er zijn nog veel kennisvragen: wat is het risico van PFAS, waar komt het voor? Als je elkaar niet goed vasthoudt, loopt de keten vast: het RIVM weet dan niet wat ze moeten onderzoeken en wij krijgen niet de informatie die we nodig hebben. Door dat samen goed te doen, ontvangen de Rijksoverheid, mede­overheden en de maatschappij eerder de antwoorden die zij zoeken.’

Erik: ‘Goed beleid kan niet zonder kennis, en tegelijkertijd moet ons onderzoek gevoed worden met scherpe beleidsvragen. Dat samenspel, met respect voor elkaars rol en verantwoordelijkheid, zorgt ervoor dat we het PFAS-probleem zo werkbaar mogelijk maken voor de maatschappij. Dat doen we door zo snel mogelijk met antwoorden te komen en realistische beloftes te doen. Deze verbinding tussen beleid en wetenschap zullen we moeten vasthouden, want PFAS is een opgave van de lange adem.’

Erik Tielemans, hoofd Centrum Veiligheid van Stoffen en Producten bij het RIVM





‘Ons onderzoek moet gevoed worden met scherpe beleidsvragen’

Wat gaat er verder goed in jullie samenwerking?

Martin: ‘Ik vind het mooi dat het RIVM ons niet alleen ondersteunt met wetenschappelijk onderzoek. Ze staan ook in de zalen met bestuurders of bezorgde bewoners, om zelf te horen welke vragen er leven. De rol van Erik en zijn collega’s gaat dus veel verder dan het schrijven van rapporten waarmee wij verder kunnen.’

Erik: ‘We zoeken die interactie inderdaad steeds meer samen op. Daarnaast ben ik erg blij met de mix tussen lange- en kortetermijnprogrammering. Het RIVM krijgt de financiële ruimte voor fundamentele kennisontwikkeling op het gebied van PFAS, zodat we een belangrijke kennispartner kunnen blijven. En in onze planningsafspraken houden we altijd rekening met ad-hoc-vragen, bijvoorbeeld vanuit de politiek.’

Welke dilemma’s spelen er nog?

Martin: ‘We vestigen de aandacht op de langere lijn, maar hebben ook te maken met Kamervragen en onderzoeksadviezen vanuit het RIVM zelf. En de (financiële) capaciteit is beperkt. We moeten dus samen keuzes maken in wat we wel en niet onderzoeken.’

Erik: ‘PFAS is complex, zit overal en is here to stay. De politieke wens is begrijpelijk, maar balans tussen kennisontwikkeling op de korte en lange termijn is voor het RIVM belangrijker. Dat zorgt weleens voor spanning. Beleidsmakers willen klare wijn, maar sommige antwoorden kunnen we simpelweg nog niet geven.’

Martin: ‘Gelukkig hebben we al vaker met dit bijltje gehakt. We begrijpen elkaars wereld en kunnen dilemma’s daarom goed bespreken. Overvragen we het RIVM niet? En is dit onderzoeksresultaat misschien te wetenschappelijk om er beleidsmatig mee verder te kunnen?’

Erik: ‘We zijn beiden gegroeid in onze rolvastheid. Soms vergt het nu eenmaal wat meer afstemming om elkaar goed te begrijpen en een keuze te maken. Juist daarom zijn onze structurele overleggen zo waardevol.’