header

Leiderschap

‘Ik maak ketenpartners duidelijk dat forensische zorg ontzettend complex is’

Hoe brengen topambtenaren leiderschap in de praktijk? Jantijn Fockens, directeur Inhoud bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), deelt zijn visie over de balans tussen capaciteit en kwaliteit en het etaleren van gedurfde zienswijzen.

Er is in Nederland niet alleen een cellentekort, maar ook in de rest van de keten van de forensische zorg zijn er capaciteitsproblemen. Hoe kijk jij daar tegenaan?

‘Wat betreft het cellentekort: er is een trend van strenger straffen, en steeds vaker voegt een rechter tbs toe aan een straf. Er is mede daardoor een tekort aan tbs-plekken. Terwijl wij als kennisinstituut weten – en dat geven we ook terug aan onze ketenpartners – dat je de samenleving niet per se veiliger maakt met strenger straffen en dat een tbs-behandeling minder succesvol is na een hele lange gevangenisstraf (een combinatievonnis). We balanceren tussen uitvoeren en kennis doorgeven om te laten zien waar we voor staan. Ook is er een tekort aan gedragsdeskundigen voor gerechtelijke advisering. Terwijl de behoefte aan advies aan de rechtbank hoog blijft. Dan moet je zorgen dat je de kwaliteit van onderzoek kan blijven waarborgen, ook als er sprake is van capaciteitsproblemen.’

Hoe zorg je ervoor dat die kwaliteit gewaarborgd blijft, met minder capaciteit? 

‘Dat is een kwestie van balans vinden tussen vraag, aanbod en product. Aan de vraagkant bemiddel ik samen met mijn collega’s met ketenpartners zoals het OM, rechtbanken en rechters. Want we moeten strenger zijn in waar we wel of niet op adviseren. Aan de aanbodkant willen we maximaal investeren in het opleiden van nieuwe mensen en het vak van rapporteur aantrekkelijker maken. Tussen vraag en aanbod in zit een product, het rapport. Daarbij kijken we hoe we dat rapport efficiënter kunnen maken. Soms moet er een dubbelrapportage geschreven worden door een psycholoog én een psychiater. Dan stellen we dus voor of we daar een geïntegreerd rapport van kunnen maken.’

Jantijn Fockens, directeur Inhoud bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP)





‘We kijken vooruit tot ná onze taak’

Hoe ga jij om met het maatschappelijke beeld van gevangenen en tbs’ers?

‘Ik vind dat we als NIFP vooroordelen over psychiatrische patiënten (en tbs’ers in het bijzonder) moeten wegnemen. In de samenleving heerst het beeld dat dit allemaal heel gevaarlijke mensen zijn. Terwijl het merendeel van psychiatrische patiënten geen delicten pleegt en veel van degenen die dat wel doen, goed te behandelen zijn. Dit is belangrijk, want meer begrip zorgt voor minder weerstand als we tbs'ers na de forensische zorg overdragen aan de reguliere gezondheidszorg. De ggz moet het stokje kunnen overnemen met de kennis die ze van ons krijgen. Ik zie dat als onze maatschappelijke functie, want het draagt bij aan de veiligheid van Nederland als (ex-)tbs’ers in de hele zorgketen goed geholpen worden. We kijken vooruit tot ná onze taak. En zo bewaken we ook op lange termijn onze expertise.’

‘Ik realiseer me goed dat er mensen zijn die nooit meer kunnen terugkeren in de maatschappij. Dat kan zijn omdat ze zeer ernstige delicten hebben gepleegd en ondanks behandeling nog gevaarlijk blijven. Maar als forensische zorg vaststelt dat mensen wel weer deel kunnen uitmaken van de maatschappij, moeten we bereid en in staat zijn om deze mensen weer op te vangen.’ 

‘Om deze visie uit te dragen, vind ik het belangrijk dat we opiniestukken schrijven in vakbladen over psychiatrie en op congressen spreken om vooroordelen te ontkrachten. Ook maak ik stakeholders – onze ketenpartners – duidelijk dat forensische zorg ontzettend complex is. Wij werken op het snijvlak van zorg, veiligheid en recht en het gaat veel om mensen. Daardoor is ons werk nooit zwart-wit en ik merk dat die boodschap bijdraagt aan het begrip voor ons werk.’

Zorg en veiligheid gaan volgens jou dus hand in hand?

‘Ja, dat is mijn visie en dat blijf ik uitdragen. Ik draag een verantwoordelijkheid voor zorg binnen detentie. Daar merk ik soms, ook bij JenV, dat er óf aandacht is voor veiligheid óf voor zorg. Door goede (forensische) zorg te bieden, verminder je de kans op terugval. Zo geef je het land juist veiligheid en maak je het werk veiliger voor onze medewerkers. Ik zie het als mijn werk om die synergie te benutten. Veiligheid en zorg kunnen elkaar versterken.’ 

Hoe daag je jouw collega’s uit? 

‘Doordat ons werk zo complex is, is het zaak om als instituut met specifieke expertise duidelijke standpunten in te nemen. Alleen dan kunnen we de politiek helpen betere beslissingen te maken. Het is mijn rol om actuele onderwerpen uit het beleid naar de mensen van de inhoud te brengen. Wat vinden we eigenlijk van combinatievonnissen? En gevangenen met een antisociale persoonlijk-heidsstoornis, vinden wij die ziek of minder toerekeningsvatbaar? Daarbij vraag ik dan of mijn collega’s ook met de beleidscontext in het achterhoofd een standpunt kunnen formuleren. Zo brengen we inhoud en beleid samen. Ik vind het belangrijk dat mijn collega’s de ruimte voelen en mandaat krijgen om zelf beslissingen te nemen. Zulke standpunten formuleren kan spannend zijn, want ze zijn vaak maatschappelijk gevoelig. Aan mij om mijn collega’s dan rugdekking te geven en de rust te bewaren.’