
Een integrale aanpak voor een duurzamere industrie
ㅤ
In het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) zetten overheden, bedrijven en netbeheerders zich gezamenlijk in voor een duurzamere, toekomstbestendige industrie. De samenhang tussen programma’s en projecten – publiek en privaat – is daarin essentieel. Wat vraagt deze opgave van de betrokken topambtenaren?
‘Het NPVI vormt de brug tussen beleid en praktijk’, legt Karlo van Dam uit. Hij is directeur Verduurzaming Industrie bij KGG. ‘In die praktijk willen we de komende decennia samen met de industrie zoveel mogelijk projecten realiseren die bijdragen aan onze duurzaamheidsdoelen. Zes keer per jaar zitten we samen met vertegenwoordigers van de industrie, netbeheerders, andere overheden en zogenoemde clusterregiseurs – die onafhankelijk al die partijen aan elkaar verbinden – om tafel, onder leiding van de minister van KGG en met de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). In deze stuurgroep horen we de belemmeringen van bedrijven om te verduurzamen én kunnen alle partijen knelpunten agenderen en elkaar om hulp vragen. Die integrale aanpak is heel belangrijk voor het draagvlak van de verduurzamingsopgave. We willen van doelen naar doen.’
‘We werken in een gezamenlijk MT aan aan maatwerkafspraken met de grote industrie’
Maatwerk en meekoppelkansen
Naast KGG zijn er nog twee landelijke overheidsorganisaties direct betrokken bij het NPVI: IenW en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Laatstgenoemde staat bij de verduurzaming van Nederland ‘op het kruispunt tussen beleid en bedrijvigheid,’ aldus Bart Tonnaer (directeur Klimaat en Energietransitie bij RVO). ‘We weten wat er leeft en speelt bij de industriële bedrijven, spreken de taal van de industrie en door het langjarige contact hebben we hun vertrouwen. Hierdoor zijn we ook de ogen en oren voor beleid.’ Bij RVO zitten meerdere expertises onder één dak, legt Bart uit. ‘We denken inhoudelijk mee over de verduurzamingsplannen van de industrie, brengen hen in contact met partners en helpen knelpunten op te lossen, onder andere door het subsidieinstrumentarium geschikt te maken door verlichting te geven over subsidieregelingen.’ Daarnaast houdt RVO jaarlijks interviews met de zestig grootste CO2-uitstoters. Bart: ‘De inzichten en wensen leggen wij dan neer bij KGG en IenW. Ook werken we met elkaar aan maatwerkafspraken met de grote industrie, die gaan over hun verduurzaming. Dat doen we in een gezamenlijk MT. Best een unieke constructie, maar vooral een mooi voorbeeld van hoe je interdepartementaal tot maatschappelijke oplossingen kunt komen.’
Maatwerkafspraken met de industrie – op het gebied van financiering, uitvoering en monitoring – gaan niet alleen over CO2-reductie, maar moeten ook bijdragen aan een gezondere en veiligere leefomgeving. ‘We kijken binnen het NPVI bijvoorbeeld ook naar de uitstoot van fijnstof en stikstof’, vertelt Helen Kuyper. Zij is programmadirecteur Industrie, Gezonde Leefomgeving en Omwonenden bij IenW. ‘Waar mogelijk koppelen we verbeterkansen voor de leefomgeving aan verbeterkansen voor CO2-reductie. Zodat we winst kunnen behalen voor zowel bedrijven als burgers. Die “meekoppelkansen” zijn alleen mogelijk door de manier waarop we binnen het NPVI integraal samenwerken. Hoe eerder ook IenW aan tafel zit, hoe realistischer en voorspelbaarder onze verduurzamingsstrategie wordt voor het bedrijfsleven.’
Beeld: © Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
V.l.n.r.: Karlo van Dam, Bart Tonnaer en Helen Kuyper
Langetermijnimpact
De stakeholders binnen het NPVI hebben ieder zo hun eigen belangen, erkent Karlo. ‘En juist omdat we maatwerkafspraken maken met bedrijven, moeten we per geval kritisch blijven kijken naar wat redelijk is. Voor de verduurzaming van onze industrie vinden bedrijven het bijvoorbeeld belangrijk dat de aanleg van nieuwe energie-infrastructuur wordt versneld. Maar de werelden die daarachter schuilen, maken dat soort opgaven ingewikkeld. Bart, Helen en ik moeten per casus vaststellen: wat is realistisch, wat willen we hieruit halen en hoe vinden we een goede balans tussen winst voor het klimaat, de omgeving en voor bedrijven zelf?’ Dat leidt tot scherpe gesprekken, aldus Karlo. ‘Soms is er discussie over de mate waarin we de industrie overvragen. Of is er twijfel over de intenties en transparantie van een bedrijf. Maar zolang de relatie goed is, kun je die gesprekken prima voeren.’
Bart vult aan: ‘Het is belangrijk dat we elkaar goed verstaan. Natuurlijk heeft iedereen een eigen belang. In het geval van RVO is dat goede uitvoerbaarheid en doeltreffende (niet-)financiële instrumenten. Maar dit is een langetermijnopgave, waarbij we samen ook voor langetermijnimpact gaan. RVO staat iets dichter bij de bedrijven, KGG en IenW dichter bij de politiek. Dankzij die posities versterken we elkaar. Wij dragen bijvoorbeeld praktijkvoorbeelden aan van dilemma’s en kansen, die Karlo en Helen vervolgens meenemen voor nieuwe beleidsaccenten die ze ook kunnen delen met de Tweede Kamer. Dat zorgt voor meer begrip en een onderbouwde aanpak om knelpunten zoals infrastructuur, financiering, vergunningen aan te pakken en de realisatie van een duurzamere industrie te versnellen.’
‘Ik hoop dat er in het nieuwe kabinet meer aandacht komt voor milieu en leefomgeving, en dat er ook financiële middelen beschikbaar komen om bedrijven
Geven en nemen
Zoekend naar de balans tussen verschillende belangen zien Karlo, Bart en Helen nog genoeg onbenut potentieel. ‘Er is nu terecht veel aandacht voor de klimaatdoelen en de rol van de industrie daarin’, aldus Helen. ‘Tegelijkertijd zie je dat de aandacht voor milieu en leefomgeving is afgenomen. Terwijl investeringen daarin juist ook kunnen leiden tot ruimte voor nieuwe industrie, innovatie en bijvoorbeeld woningbouw. Ik hoop dat er in het nieuwe kabinet meer aandacht komt voor milieu en leefomgeving, en dat er ook financiële middelen beschikbaar komen om bedrijven daarin te stimuleren.’
Karlo noemt nog een andere wens. ‘In de dynamiek van een stuurgroep – met al die partijen aan tafel – moet je soms water bij de wijn doen. Dat geldt voor iedereen. Als elke partij een keer het kortste strootje trekt, dan is de kans ook groter dat we onder de streep allemaal blij zijn met het resultaat. Geven en nemen: dat is de sleutel tot succes.’
‘Als elke partij een keer het kortste strootje trekt, dan is de kans ook groter dat we onder de streep allemaal blij zijn met het resultaat’
Bart sluit af: ‘Het gaat in ons werk logischerwijs vaak over kosten. Terwijl het gesprek soms meer zou moeten vertrekken vanuit de vraag: wat helpt ons land verder en waar verdienen we straks ons geld mee? Ja, het investeren in een robuust en flexibel energiesysteem – met aandacht voor de betaalbaarheid voor huishoudens en bedrijven, het verhelpen van netcongestie of investeren in de leefomgeving – brengt uitgaven met zich mee waar de industrie van profiteert. Maar als we daarbij meer kijken naar de opbrengsten, zoals strategische autonomie, verdienvermogen en welvaart, concurrentiekracht en een gezond vestigings- en leefklimaat, dan kunnen deze inspanningen en investeringen voor de verduurzaming van de industrie Nederland écht verder helpen.’