Header

8 openhartige antwoorden

van Noor Sanders

Noor Sanders, directeur-generaal Fiscale Zaken bij Financiën, geeft openhartig antwoord op acht vragen.

1. Uit wat voor nest kom je?

‘Het maakt uit waar je wieg staat, en mijn wieg stond goed. Mijn vader was tandarts en was – zeker voor die tijd – een heel actieve vader. Als ik ging paardrijden, skiën of hockeyen, deed hij mee of werd hij coach. Mijn moeder was heel gastvrij: iedereen was welkom en mocht mee-eten. En in de vakanties logeerden er regelmatig kinderen bij ons die het thuis wat minder goed hadden. Pas later realiseerde ik me wat voor voorsprong zo’n jeugd mij heeft gegeven. Bijvoorbeeld meer kansen: omdat leren en studeren vanzelfsprekendheden waren, maar ook omdat er vroeger alle ruimte was om mezelf te zijn.’

2. Welke rol speelde geld in je jeugd?

‘Lange tijd geen. Daar kwam verandering in toen mijn ouders gingen scheiden. Ik was dertien en de oudste van vier. Het werd een vechtscheiding en ik probeerde alles in balans te houden: ik wilde het vooral niet nog moeilijker maken voor de rest. Mijn moeder had nooit gewerkt – omdat mijn vader dat niet nodig vond – maar moest ineens aan de slag. Geld werd voor het eerst een zorg. Toch bleef mijn moeder altijd positief. Onafhankelijkheid is sindsdien heel belangrijk voor mij.’

3. Je studeerde Algemene en Fiscale Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Wat voor student was je?

‘Serieus én heel gezellig. Ik leerde makkelijk, waardoor ik twee studies en een bestuursjaar kon combineren en toch mijn punten haalde. Ik begon met Fiscale Economie, maar vond de economische vakken veel interessanter dan de juridische. Bovendien zag ik op fiscale borrels vooral veel mannen en een behoorlijk masculiene cultuur. Ik dacht: hier wil ik later niet tussen zitten. Toen ben ik Algemene Economie erbij gaan doen. Ik was ook lid van een studentenvereniging en kon prima de lichten uitdoen. Als ik aan sommige avonden terugdenk, vraag ik me weleens af hoe ik dat allemaal volhield.’

4. Financiën was na je studies ook je eerste werkgever. Waarin ben je ten opzichte van toen veranderd?

‘Ik heb geleerd te vertrouwen op mijn intuïtie en – nog belangrijk misschien – durf me daar nu ook meer over uit te spreken. Vroeger dacht ik vaker dat ik het waarschijnlijk niet goed had begrepen, of de enige was die nog twijfelde. Ik heb geleerd om moeilijke gesprekken wél aan te gaan. Even buikpijn hoort erbij: vaak blijkt iedereen alleen maar opgelucht dat “de olifant in de kamer” wordt benoemd.’

‘Ik heb geleerd te vertrouwen op mijn intuïtie’

5. Je bent partner geweest bij PwC. Paste het commerciële werk bij je?

‘Lange tijd dacht ik dat ik helemaal niet commercieel ingesteld was! Als scholier werkte ik bij een groenteboer, waar ik aan het einde van de zaterdag drie bakjes salade voor vijf gulden moest verkopen. Dat vond ik vreselijk: die stonden al de hele dag te zweten. Later ontdekte ik dat ik wel commercieel ingesteld kan zijn, zolang ik geloof in wat ik verkoop én de ander er iets aan heeft. Bij PwC zei ik altijd: een klant moet zijn fee kunnen terugverdienen. Niet per se in harde euro’s, maar bijvoorbeeld doordat we een risico verkleinen, meer zekerheid bieden of een probleem oplossen.’

6. Je bent betrokken bij verschillende vrouwennetwerken. Noem je jezelf ook een feminist?

‘Ik ben geen barricadefeminist, maar ik vind het onderwerp heel belangrijk. Ik tel bijvoorbeeld automatisch het aantal vrouwen als ik ergens binnenkom. Toen ik partner werd bij PwC, zat ik bijna standaard als enige, of als een van twee vrouwen, aan tafel. Enerzijds voelde ik me verantwoordelijk om het vrouwelijk perspectief in te brengen, anderzijds dacht ik: ik moet wel onderdeel van deze groep blijven, anders luisteren ze niet naar me. Naar die balans zocht ik continu. Uiteindelijk gaat het mij niet per se om man-vrouw, maar om oog hebben voor mensen in een minderheidspositie. Dat principe is voor mij ook heel belangrijk bij het maken van beleid: hoe zorgen we dat we ook “de stille stakeholders” betrekken?’

7. Hoe kom je los van je werk?

‘Door dingen te doen waarbij ik niet tegelijkertijd aan iets anders kan denken. Met mijn dochter, de jongste van mijn drie kinderen, schaats ik bijvoorbeeld. Ik vind dat technisch zó ingewikkeld dat ik op de baan alleen bezig ben met mijn rondjes en pootje-over. Het grappige is dat zij míj dan aanmoedigt: “Mam, je kan het!” Soms houdt ze ook mijn hand vast, zodat ik het weer aandurf. Sinds een paar jaar speel ik ook piano. Juist omdat het al mijn aandacht vraagt, helpt het me om mijn hoofd los te maken van het werk.’

8. Hoe zou je jezelf thuis omschrijven?

‘Als een enorme chaoot! Ik zou heel graag wat opgeruimder zijn. Een vriendin uit mijn studententijd hielp me met de inrichting van mijn huis en zei meteen: “Het moet wel een Noor-huis worden!” Dus niet te strak gestyled, maar kleurrijk en met ruimte voor mijn eigen rommeltjes. Op één muur heb ik heel uitgesproken behang. Uit de hele voorstelling op de rol moest van mij per se één blij olifantje met een oranje dekje op de muur komen. Waarom? Geen idee. Ik dacht gewoon: die moet erin.’